dinsdag 2 juli 2013

Gekweld


    Op een doordeweekse dag voelde de waard zich tamelijk gekweld, hij wandelde met z’n brommer aan de hand door het stadje D. Bleef stil staan bij deze lantaarnpaal, die was pas gekweld, dacht hij. De sneeuwklonten lagen te smelten van ellende. De lantaarnpaal had een voltreffer gekregen en stond wankel overeind. Misschien had zijn toestand wel te maken met een gedicht van een oude Rutger Kopland, dat we hiernaast afgebeeld zien.
Het luidde als volgt:

En toen de zomer dan toch weer was teruggekeerd
en wij dus weer zaten te drinken bij de rivier,

Zijn oude armen bewogen nog, naar daar, die wereld
dat langzame eeuwige leven van vee in de verte.

Ieder mens zou een dier moeten zijn, moeten sterven
in de herfst, en in de lente weer worden geboren.

Of, ieder mens zou een rivier moeten zijn, komen
zonder verlangen te blijven, gaan zonder heimwee.

Zo zaten we dus weer te drinken daar, tegen de tijd,
oude verhalen, jenever, maar de zon ging wel onder.

En hij sliep in. Omdat de wereld insliep. Zwart
zat hij bij de rivier, zwart gat in het uitzicht.

Rutger Kopland